“Kan God overal tegelijk zijn?” — “Het zou kunnen.”
Na een debat over de vraag of Jezus God is, stelt een christen aan Deniz Tezcan een vraag die de hele zaak raakt: kan God overal tegelijk zijn? Zijn antwoord:
“Het zou kunnen, ik zeg niet dat het zo is.”
Op de vraag wáár en hóé God is — de eerste steen onder de hele tawḥīd — antwoordt een man die ijāza’s claimt met “misschien”. En juist dat “misschien” is het probleem, want dit is een van de weinige vragen waarop ahl al-sunnah nooit “misschien” heeft gezegd.
Het antwoord van de geleerden is namelijk niet vaag. Allah is niet “overal” in de zin die de vraag oproept — niet verspreid door de ruimte, niet wonend ín de dingen. Dat heet ḥulūl, en het is met ijmāʿ verworpen. Maar Hij is ook niet afwezig: Zijn kennis en omvatting reiken tot alles. “Overal” in de betekenis van Zijn kennis — ja. “Overal” in de betekenis van een Wezen dat plaatsen vult — nee. Dat onderscheid maken is precies de taak van een leraar. “Het zou kunnen” maakt het niet; het laat juist de verboden helft openstaan.
De Qurʾān sluit de lichamelijke lezing meteen af:
﴿لَيْسَ كَمِثْلِهِ شَيْءٌ﴾“Er is niets aan Hem gelijk.”— 42:11
Op een plaats zijn, in de ruimte zitten, overal tegelijk verspreid zijn — dat zijn eigenschappen van geschapen dingen. En Allah is niet als de schepping. Imām al-Ṭaḥāwī ﵀ vatte de consensus van ahl al-sunnah zo samen:
«تَعَالَى عَنِ الْحُدُودِ وَالْغَايَاتِ … لَا تَحْوِيهِ الْجِهَاتُ السِّتُّ كَسَائِرِ الْمُبْتَدَعَاتِ»“Verheven boven grenzen en einden … de zes richtingen omvatten Hem niet, anders dan al het geschapene.”— al-ʿAqīda al-Ṭaḥāwiyya
De zes richtingen — boven, onder, voor, achter, links, rechts — dáár woont het woordje “overal”. En precies díe, zegt al-Ṭaḥāwī, omvatten Hem niet. Hij was er toen er nog geen plaats was, en Hij is nu zoals Hij altijd was. De vromen vatten het in vier woorden: kāna Allāhu wa lā makān — Allah was, en er was geen plaats.
En hier ligt het diepste punt, want zijn fout is niet alleen tekstueel — ze is logisch. In de ʿaqīda verdelen de geleerden alles wat over Allah gezegd kan worden in drie vakken: het noodzakelijke (wājib), het onmogelijke (mustaḥīl) en het mogelijke (jāʾiz). Dat is het allereerste wat een student leert, bijvoorbeeld uit Umm al-Barāhīn van al-Sanūsī ﵀. De vraag “kán God overal zijn?” is in feite de vraag: in welk vak hoort dit?
Het hoort in het onmogelijke. Overal zijn betekent op álle plaatsen zijn, en op een plaats zijn (taḥayyuz) is een eigenschap van een lichaam. Een lichaam is samengesteld, begrensd, en — beslissend — geschapen: het heeft een begin nodig en dus een schepper. Maar Allah is qadīm, zonder begin, en wājib al-wujūd, noodzakelijk in Zijn bestaan. Zou Hij in de ruimte zitten, dan zou de Schepper zelf een geschapene zijn. Dat is geen ongeloofwaardige stelling; het is een regelrechte tegenspraak. Daarom is “overal zijn” voor Allah niet onbewezen of onwaarschijnlijk, maar mustaḥīl ʿaqlan — door het verstand zelf uitgesloten, nog vóór er één vers aan te pas komt.
En dat is wat zijn antwoord verraadt. “Het zou kunnen” betekent in deze taal precies één ding: dit hoort in het vak jāʾiz, het mogelijke. Maar het hoort in het vak mustaḥīl, het onmogelijke. Tezcan heeft niet alleen het juiste antwoord gemist — hij heeft het in het verkeerde vak gelegd. En juist die indeling, wat onmogelijk is en wat niet, is het ABC van de wetenschap die hij zegt te onderwijzen.
De vraag “kan God overal tegelijk zijn?” heeft dus een antwoord, en het is geen gok. Wie Allah in de ruimte plaatst — al is het maar als mogelijkheid die hij openhoudt — heeft Hem stilzwijgend met Zijn schepping vergeleken. De geleerden hebben die deur dichtgedaan. Tezcan zette hem op een kier en noemde dat voorzichtigheid.
En vergeet nu de context niet, want die maakt het veel ernstiger. De vraag viel niet uit de lucht. Ze kwam van een christen, vlak na een debat over de vraag of Jezus God is. Wie zoiets vraagt, peilt of God fysieke ruimte kán innemen — want dát is precies wat het christendom nodig heeft: een God die ergens kan zijn, een lichaam kan aannemen, vlees kan worden in een mens. Het hele islamitische antwoord op “is Jezus God?” staat of valt bij het tegendeel. Een God die ruimte inneemt, een lichaam heeft, ergens ís — dat is onmogelijk. En juist dáárom kan Hij geen mens zijn die at, sliep, een plek innam en stierf. De onmogelijkheid dat God ruimte inneemt ís het argument tegen de godheid van Jezus.
En precies op dat moment, tegenover precies die persoon, zei de leraar: “het zou kunnen.” Hij hield de deur open die hij dicht moest slaan. Hij gaf de christen de premisse cadeau waar diens hele geloof op rust — dat God zich in de ruimte kan bevinden — terwijl één helder woord het sterkste wapen was dat hij in handen had: nee, dat is onmogelijk, en dáárom is jullie Jezus niet God.
Het ergste is dus niet dat hij het verkeerd uitlegde — hij légde niets uit. Op de vraag waarmee een zoeker naar de waarheid binnenkwam, de vraag die de Schepper scheidt van het geschapene en daarmee de islam van het christendom, gaf de leraar een schouderophalen. Wie anderen naar God zegt te leiden, mag over Gods Wezen niet “het zou kunnen” zeggen — zeker niet tegen iemand die nog op de drempel staat. Dat is geen nederigheid. Dat is het niet weten, op het moment dat weten het meest telde.
Reacties
Nog geen reacties.
Reageren