“De Ashʿarī’s ontkennen dat Allah kan spreken”
Over de Ashʿarī’s zegt Musa ibn Yūsuf in een lezing:
“De Asharieten zeggen [een individuele relatie met Allah] kan niet. Daarom ontkennen hun dat Allah ﷻ kan spreken, dat Allah houdt van Zijn dienaren, dat Allah boos kan worden — hun ontkennen alle daden van Allah. Want zij zeggen: een daad betekent een gebeurtenis, en dat betekent dat Allah onderhevig is aan gebeurtenissen, dat Allah verandert, en Allah kan niet veranderen… dit is allemaal filosofie waar ze mee gekomen zijn. Jij doet duʿāʾ en dergelijke, maar volgens hen is Allah helemaal niet met jou bezig. Kijk wat voor geloof zij hebben.”
En even verderop, als climax:
“Wat voor Rabb verkopen jullie aan de mensen? Een Rabb die niet kan spreken, die niet kan horen, die niet van je houdt, een Rabb die niet op jou boos wordt, een Rabb die niet op jouw duʿāʾ reageert — aʿūdhu billāh.”
Leg eens naast elkaar wat hij de Ashʿarī’s allemaal laat ontkennen, en wat hij hun zelf toeschreef. Musa schreef eerder dat de Ashʿarī’s “zeven eigenschappen” bevestigen — de ṣifāt al-maʿānī. Tel ze: leven, kennis, macht, wil, gehóór, zícht en spráák. Noem dan wat hij hun Rabb nu ontzegt: het spreken én het horen. Twee van de zeven die hij eigenhandig op hun lijst had gezet.
Bij de spraak is er tenminste nog een echt twistpunt over de áárd ervan: de Ashʿarī’s leren het eeuwige kalām nafsī, de Atharī’s spraak met letter en klank naar Zijn wil. Maar “Allah kan niet spreken” is iets heel anders — en het is juist de Ashʿarī-school die Allahs spraak verdédigde tegen de Muʿtazila. En bij het gehóór is er niet eens een twist mogelijk: al-Samʿ is een eeuwige eigenschap, Allah is al-Samīʿ, punt. Een “Rabb die niet kan horen” staat in geen enkel Ashʿarī-boek. Wie twee van de zeven eigenschappen wegstreept die hij zojuist zelf toekende, leest geen Ashʿarī-bron; hij herhaalt een leus.
Dan de liefde en de toorn, waar dezelfde verschuiving optreedt: uitleg wordt “ontkenning” genoemd. De Ashʿarī ontkent Allahs liefde niet — de Qurʾān zegt immers dat Allah de weldoeners liefheeft — hij verstaat die liefde als Zijn wil tot het goede en Zijn beloning, niet als een opkomende en wegebbende emotie. Hij ontkent Allahs toorn niet; hij verstaat haar als Zijn wil tot bestraffing. Bevestigen-en-verstaan is iets anders dan wegstrepen.
En “alle daden van Allah ontkennen”? De Ashʿarī’s bevestigen dat Allah schept, voorziet, doet leven en sterven. Wat zij zeggen is preciezer — en hij geeft het in het citaat zelfs correct weer: de geschapen gevólgen treden in de tijd op, maar er ontstaan geen nieuwe gebeurtenissen ín Allahs Wezen, want dat zou verandering in de Eeuwige betekenen. Daarover bestaat een echt, eeuwenoud meningsverschil met de Atharī’s, die de wilshandelingen wél in de tijd plaatsen. Dat verschil mag hij bestrijden. Maar hij ként het argument — hij zegt het zelf — en maakt er vervolgens “ze ontkennen alle daden” van. Dat is geen weergave van het meningsverschil; het is een karikatuur ervan.
Zo komen we bij zijn climax: “een Rabb die niet op jouw duʿāʾ reageert.” Maar volgens de Ashʿarī hóórt Allah je smeekbede (al-samʿ), zíet Hij je (al-baṣar), wéét Hij wat je nodig hebt (al-ʿilm) en brengt Hij door Zijn wil (al-irāda) het antwoord tot stand — vier van de zeven die hij zelf toegaf dat ze bevestigen. De Rabb die hij schildert — die niet hoort, niet spreekt, niet weet, niet wil — is het spiegelbeeld van de Rabb in hun boeken, opgetrokken door precies de eigenschappen die zij bevestigen één voor één te ontkennen. Hij vraagt “wat voor Rabb verkopen jullie?” en beschrijft een Rabb die geen Ashʿarī ooit heeft verkocht.
Het komt telkens op hetzelfde neer. Waar de Ashʿarī een eigenschap bevestigt en haar met tanzīh verstaat, leest hij “ontkenning”. Dat is niet wat de school over zichzelf zegt; het is wat haar tegenstanders over haar zeggen. En wie een geloof beschrijft via de mond van zijn tegenstanders, beschrijft een pop en noemt het een mens.
Reacties
Nog geen reacties.
Reageren