Naar de inhoud

22 weergaven0 reacties

“De Ashʿarī’s bevestigen slechts zeven eigenschappen”

In zijn vertaling van een traktaat van al-Shaykh Kamāl Abū al-Barakāt over de bewoording al-Yad (de Hand) plaatst Abū Ḥudhayfah Musa ibn Yūsuf een eigen aantekening. Het betoog zelf is van de shaykh; deze zin is van de vertaler, in voetnoot 19:

“Dit heeft ertoe geleidt dat zij slechts 7 Eigenschappen werkelijk bevestigen.”

Eén zin, en hij draagt een misvoorstelling van een school die veertien eeuwen meegaat.

Begin bij het feit. Geen enkel Ashʿarī-leerboek zegt dat Allah “slechts zeven eigenschappen” heeft. Sla de twee primers open waarmee de school zichzelf onderwijst — Umm al-Barāhīn van al-Sanūsī en Jawharat al-Tawḥīd van al-Laqqānī — en je telt er twintig: één nafsiyya (het bestaan), vijf salbiyya (eeuwigheid zonder begin, eeuwigheid zonder einde, onvergelijkbaarheid met het geschapene, zelfstandig bestaan, en eenheid), zeven maʿānī, en zeven maʿnawiyya.

Wat zijn dan die zeven waar hij op doelt? De ṣifāt al-maʿānī: leven, kennis, macht, wil, gehoor, zicht en spraak. Ze bestaan, ze zijn reëel — maar het is één lade van de kast, niet de kast. Hij heeft één van de vier categorieën opgepakt en de andere dertien eigenschappen laten liggen.

En zelfs die twintig zijn niet het totaal. Ze zijn de óndergrens: de eigenschappen waarvan het verstand de noodzakelijkheid kan vaststellen, het minimum dat elke verantwoordelijke moslim moet kennen — daarom staan ze vooraan in de primers. Daarbovenop bevestigt de Ashʿarī álles wat Qurʾān en Sunnah aan eigenschappen overleveren. De ṣifāt khabariyya — al-Yad, al-Wajh, al-Istiwāʾ — worden bevestigd zoals ze gekomen zijn, met tanzīh: hetzij via tafwīḍ (de betekenis aan Allah overlaten), hetzij via taʾwīl (uitleggen in lijn met Zijn verhevenheid). Bevestigd, niet ontkend. En de ṣifāt al-afʿāl — scheppen, voorzien, doen leven en sterven — kennen geen vast getal, want Zijn macht en Zijn wil kennen geen grens.

Zie dan wat dat ene zinnetje doet. Het wist dertien van de twintig uit. Het verandert een ondergrens in een bovengrens. En het noemt bevestiging-met-tanzīh “ontkenning”. Drie fouten in vier woorden.

Het verraderlijkst is waar die “zeven” vandaan komt. Je vindt haar niet in een boek van de school; je vindt haar in de weerleggingen tégen de school. Het is het portret dat de tegenstander schildert, hier overgenomen en doorgegeven alsof het de zelfbeschrijving van de Ashʿarī’s is. En dat is het punt: wie een madhhab beschrijft, hoort hem weer te geven zoals die zichzelf weergeeft — uit zijn eigen primers — niet uit de polemiek ertegen. Wie tot zeven telt en stopt, beschrijft niet de Ashʿarī’s, maar het beeld dat hun tegenstanders van hen schetsen.

Reacties

Nog geen reacties.

Reageren

Schrijf eerst een reactie.

Deze naam komt boven je reactie te staan.Vul de naam in die boven je reactie moet komen.