“Onze daden worden niet aan de Profeet ﷺ voorgelegd”
De bewering — Soufiane Abu Abdillah:
“Dat sommigen zeggen dat onze daden aan de Profeet ﷺ worden voorgelegd, klopt niet. Onze daden worden voorgelegd aan wie? Aan Allah ﷻ. Het enige wat aan de Profeet ﷺ wordt verteld is… de ṣalawāt.”
Hij stelt een keuze voor: óf aan Allah ﷻ, óf aan de Profeet ﷺ. Maar dat is een tegenstelling die hij zelf verzint — de Qurʾān stelt ze juist náást elkaar.
Qurʾān — let op wie er genoemd worden:
﴿وَقُلِ ٱعْمَلُوا۟ فَسَيَرَى ٱللَّهُ عَمَلَكُمْ وَرَسُولُهُۥ وَٱلْمُؤْمِنُونَ﴾“En zeg: verricht [daden], want Allah zal jullie daden zien, en Zijn Boodschapper, en de gelovigen.”— 9:105
Allah ﷻ, én Zijn Boodschapper ﷺ, én de gelovigen. Het vers noemt de Profeet ﷺ uitdrukkelijk als iemand die de daden ziet. “Alleen aan Allah” staat er dus niet — het tegenovergestelde staat er.
Sunnah — en de Profeet ﷺ benoemde het mechanisme zelf:
«حَيَاتِي خَيْرٌ لَكُمْ … وَمَمَاتِي خَيْرٌ لَكُمْ، تُعْرَضُ عَلَيَّ أَعْمَالُكُمْ، فَمَا رَأَيْتُ مِنْ خَيْرٍ حَمِدْتُ اللَّهَ، وَمَا رَأَيْتُ مِنْ شَرٍّ اسْتَغْفَرْتُ اللَّهَ لَكُمْ»“Mijn leven is goed voor jullie … en mijn dood is goed voor jullie: jullie daden worden mij voorgelegd; zie ik er goeds in, dan prijs ik Allah, en zie ik er kwaad in, dan vraag ik Allah om vergeving voor jullie.”— al-Bazzār (Ibn Masʿūd)
Dit is exact het punt dat hij ontkent — woordelijk: “jullie daden worden mij voorgelegd.”
Zijn eigen concessie — hij geeft toe dat de ṣalawāt de Profeet ﷺ wél bereiken. Daarmee erkent hij het hele principe: dat Allah ﷻ na zijn dood dingen aan hem voorlegt. Hij twist dus niet meer over het of, alleen nog over het hoeveel. En de reikwijdte daarvan bepalen de teksten — niet zijn gevoel.
De geleerden — wie de overlevering “tuʿraḍu ʿalayya aʿmālukum” sound verklaarden, is geen kleine groep: al-Haythamī ﵀ (de overleveraars zijn die van de Ṣaḥīḥ), al-Suyūṭī ﵀, al-ʿIrāqī ﵀, al-Qasṭallānī ﵀ (de commentator van al-Bukhārī), Mullā ʿAlī al-Qārī ﵀ en al-Munāwī ﵀. Een ḥadīth die door deze meesters wordt aanvaard, veeg je niet weg met “klopt niet.”
Hij vraagt: “voorgelegd aan wie? Aan Allah.” Correct. Maar in dezelfde adem waarin Allah ﷻ dat zegt, voegt Híj eraan toe: “en Zijn Boodschapper.” (9:105) Soufiane dwong een keuze af die de Qurʾān nooit heeft gemaakt — en koos toen ook nog de helft die het vers expliciet weerspreekt.
Lees ook
Reacties
Nog geen reacties.
Reageren